Er bestaan op dit moment twee hoofdsoorten biobrandstof: ethanol, de meest gebruikte biobrandstof die wordt gemaakt door gisting van planten met veel zetmeel of suikers; en FAME (Fatty Acid Methyl Esters; ook wel biodiesel genaamd) waarbij plantaardige olie wordt omgezet in een dieselachtige brandstof via zogenaamde transesterificatie.
De eerste generatie van deze biobrandstoffen maakte grotendeels gebruik van voedselgewassen als tarwe of suikerriet als basis. De uitdaging die Shell nu aangaat, is het ontwikkelen van de tweede generatie met een basismateriaal dat niet met voedselgewassen concurreert en van een omzettingsproces dat zorgt voor een lage CO2-uitstoot en een hoogwaardige brandstof die bovendien scherp geprijsd is.
Cellulose, de stevige moleculen waaruit de celwanden van planten bestaan, kan in verschillende vormen worden aangetroffen, onder meer in stro. Voor het afbreken van de cellulose zijn echter sterke, nieuwe enzymen nodig die fungeren als biologische katalysator en de cellulose kunnen scheiden van de rest van de plant om ethanol te produceren. Shell werkt samen met het Canadese bedrijf Iogen en met Codexis in de VS om deze oplossing uit te werken.
In de toekomst zouden ook algen misschien een duurzame bron van plantaardige olie kunnen vormen waaruit biobrandstof voor dieselmotoren geproduceerd kan worden. In 2007 maakte Shell bekend dat er plannen waren voor het bouwen van een proeffabriek in Hawai om samen met partner HP Biopetroleum de mogelijkheden hiervoor te verkennen. Het is nog vroeg, maar algen lijken veelbelovend, omdat ze snel groeien en kunnen gekweekt worden in vijvers met zeewater, waardoor zo min mogelijk vruchtbaar land en zoetwater gebruikt hoeft te worden.